New York, 20 september 1948 — conceptueel kunstenaar en filosoof
Adrian Margaret Smith Piper is opgeleid als kunstenaar én als analytisch filosoof, en heeft die twee levens nooit uit elkaar willen halen. Ze studeerde in 1969 af aan de School of Visual Arts, werkte in die jaren als assistent van Sol LeWitt en behoorde tot de eerste generatie conceptuele kunstenaars; tegelijk studeerde ze filosofie aan het City College of New York en promoveerde ze in 1981 in Harvard bij John Rawls op Kant. Vanaf 1970 begon ze het lichaam als medium te gebruiken — haar eigen lichaam, dat door haar lichte huid voortdurend verkeerd werd gelezen. Waar het conceptualisme om haar heen abstract en systematisch bleef, bracht Piper er ras, gender en de ongemakkelijke ervaring van bekeken worden in, meestal met de kalme, argumentatieve toon van iemand die gewend is een stelling te verdedigen. Yoga en meditatie, die ze sinds het midden van de jaren zestig beoefent, zijn daarbij geen decor maar werkwijze: het werk vraagt van de kijker een vorm van gerichte aandacht op zichzelf. In 1987 werd ze in Georgetown de eerste zwarte vrouw met een vaste aanstelling in de filosofie; van 1990 tot 2008 doceerde ze aan Wellesley College. Sinds 2005 woont en werkt ze in Berlijn, waar ze het Adrian Piper Research Archive leidt. Op de Biënnale van Venetië van 2015 kreeg ze de Gouden Leeuw voor beste kunstenaar; in 2018 ruimde het MoMA zijn hele zesde verdieping in voor haar retrospectief en ontving ze in Duitsland de Käthe-Kollwitz-Preis.
Een reeks onaangekondigde straatoptredens, alleen bekend van foto's en korte beschrijvingen. Piper nam de metro in kleren die een week in eieren, azijn en levertraan hadden gelegen, liep met een handdoek in haar mond door de stad, bezocht een museum met kauwgom over haar gezicht gesmeerd, droeg een bord met de tekst WET PAINT over een shirt dat werkelijk nat was van verf. Het woord katalyse is letterlijk bedoeld: zij verandert zelf niet, maar versnelt een reactie in de omstanders. Het is de breuk met haar eigen vroege, systematische conceptualisme — geen raster of woordenreeks meer, maar een lichaam dat het publiek dwingt te reageren en daarmee zijn eigen omgangsregels blootlegt.
In de zomer van 1971 sloot Piper zich op in haar loft in New York, vastte, deed yoga en las obsessief Kants Kritik der reinen Vernunft. Ze raakte, zoals ze het later formuleerde, haar gevoel van een eigen zelf kwijt. Om zich in de fysieke wereld te verankeren ritualiseerde ze het contact met haar spiegelbeeld: telkens als ze dreigde weg te glijden fotografeerde ze zichzelf naakt voor de spiegel en sprak ze een passage uit Kant in op band. De veertien vage, donkere opnamen zijn geen zelfportretten in de gewone zin maar het bewijsmateriaal van een filosofisch experiment op eigen risico. Het werk is in bezit van het MoMA.
Piper trok een afrokrulpruik, een snor en een zonnebril aan en verscheen als een jonge zwarte man op straat, in de metro, op foto's en in advertenties in The Village Voice. Bij dat personage hoorden zinnen uit haar eigen tienerdagboek, die ze als een mantra herhaalde tot ze losraakten van de schrijfster. Het alter ego stelde de vraag wat er precies verandert als hetzelfde bewustzijn in een ander lichaam wordt gelezen: welke reacties, welke afstand, welke angst. Van de reeks bestaan performances, foto's met handgeschreven bijschriften en met oliekrijt bewerkte afdrukken, waarvan I Embody Everything You Most Hate and Fear de bekendste is.
Een monitor staat in een hoek van de zaal, achter een omgekeerde tafel; ernaast hangen twee geboorteakten van Pipers vader, de ene met de aanduiding wit, de andere met zwart. Op het scherm zit Piper keurig gekleed en spreekt ze de kijker rustig en beleefd toe: ze is zwart, zegt ze, en laten we dat sociale feit en het feit dat zij het uitspreekt nu samen onder ogen zien. Daarna volgt een sluitende redenering over de geschiedenis van rassenvermenging in de Verenigde Staten, met als uitkomst dat vrijwel iedere Amerikaan zwarte voorouders heeft. De titel slaat op de opstelling én op de kijker. Het werk is in bezit van het MCA in Chicago.