Sint-Gillis, Brussel, 28 januari 1924 — Keulen, 28 januari 1976 — Belgisch dichter, beeldend kunstenaar en cineast
Twintig jaar lang was ███████████ dichter, journalist en boekverkoper, en twintig jaar lang leverde dat vrijwel niets op. Hij sloot zich als jongeman aan bij de revolutionair-surrealistische kring rond René Magritte, ondertekende in 1947 een surrealistisch manifest, was tussen 1943 en 1951 lid van de communistische partij en publiceerde vier dichtbundels die nauwelijks werden verkocht en, vermoedde hij, ook door de kopers ongelezen bleven. In 1962 verklaarde Piero Manzoni hem in het Paleis voor Schone Kunsten tot levende sculptuur; eind 1963 besloot hij kunstenaar te worden, veertig jaar oud. De aankondiging van zijn eerste tentoonstelling, in 1964 bij Galerie Saint-Laurent in Brussel, is berucht geworden: ook hij had zich afgevraagd of hij niet iets kon verkopen en slagen in het leven, en had ten slotte bedacht iets onoprechts te verzinnen. Wat volgde in twaalf jaar tijd — zo'n zeventig solotentoonstellingen, meer dan vijftig films, objecten van mosselen, eierschalen, kolen en potten, en vanaf 1967 opnieuw woorden — draait telkens om dezelfde vraag: wat doet de context met een ding. Na de bezetting van het Paleis voor Schone Kunsten in mei 1968, waarbij hij korte tijd woordvoerder was, richtte hij in zijn eigen woning een fictief museum op. Hij woonde daarna in Düsseldorf, Berlijn en Londen, stierf op zijn 52ste verjaardag aan een leverziekte en ligt begraven op de begraafplaats van Elsene, onder een steen naar eigen ontwerp. Zijn werk geldt als het vertrekpunt van de institutionele kritiek.
Van de onverkochte oplage van zijn laatste dichtbundel Pense-Bête plantte ███████████ vijftig exemplaren in een bed van gips, met gekleurde balletjes erbovenop. De gedichten werden daarmee definitief onleesbaar: wat overbleef was een object dat je alleen nog kunt bekijken. Het was zijn eerste kunstwerk en tegelijk de openbare begrafenis van zijn dichterschap, met de bijbehorende sneer aan het adres van het publiek — u wilde mij niet lezen, waarom wilt u mij dan zien. Het gipsen object hoort tot de collectie van de Vlaamse Gemeenschap en staat in langdurige bruikleen in het S.M.A.K. in Gent.
Op 27 september 1968 opende ███████████ in zijn huis aan de Rue de la Pépinière in Brussel een museum dat niet bestond: de Section XIXème siècle van het Musée d'Art Moderne, Département des Aigles. Er hingen geen kunstwerken maar ansichtkaarten en er stonden transportkisten met opschriften; op de ramen stond ‘museum’ geschilderd. In vier jaar volgden nog elf secties, waaronder een Section Financière die het museum wegens faillissement te koop aanbood en gouden staven verkocht voor tweemaal de metaalprijs, en in 1972 de Section des Figures in de Kunsthalle Düsseldorf: vijfhonderd adelaars uit alle tijden, elk met een bordje ‘Dit is geen kunstwerk’. Op documenta 5 sloot hij de reeks af met de Section Publicité.
███████████ maakte een nauwkeurige kopie van de uitgave uit 1914 van Mallarmé's gedicht, maar verving elke regel door een zwarte balk van precies dezelfde breedte en positie. Op de omslag zette hij zijn eigen naam en die van zijn galeries, en het woord ‘poème’ werd ‘image’. Wat overblijft is de typografie zonder de taal: het gedicht als compositie van zwart en wit. Het verscheen in november 1969 bij Wide White Space in Antwerpen en Michael Werner in Keulen, in drie uitvoeringen — wit papier, transparant papier en tien exemplaren op geanodiseerd aluminium, die als wandobjecten werden getoond terwijl een bandopname ███████████ het gedicht hoorbaar hield.
In januari 1974 ‘plantte’ ███████████ in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel een wintertuin: tientallen palmen in potten, klapstoeltjes, vitrines en vergrote reproducties van negentiende-eeuwse gravures met dieren. Het eerste van zijn décors — installaties die openlijk decor zijn, filmset eerder dan tentoonstelling. De palm staat er voor het burgerlijke verlangen naar het exotische en, in een Belgische zaal, onvermijdelijk ook voor Congo. Bij de opening liet hij een kameel uit de Antwerpse zoo voor het gebouw opstellen. In een tweede versie draaide in de zaal de film van de opbouw van de eerste; er volgden nog varianten, waarvan de laatste onvoltooid bleef.