Portret van Donna Haraway

Donna Haraway

Denver, Colorado, 6 september 1944 — bioloog, wetenschapshistoricus, filosoof

Donna Jeanne Haraway studeerde zoölogie aan Colorado College, met filosofie en Engels als bijvakken, bracht daarna een jaar in Parijs door en promoveerde in 1972 in de biologie aan Yale, op een proefschrift over de rol van metaforen — kristal, weefsel, veld — in de ontwikkelingsbiologie van de twintigste eeuw. Die opzet is haar hele werk blijven kenmerken: zij leest natuurwetenschap als verhaal zonder haar daarmee te ontmaskeren, en blijft tegelijk hardnekkig aan de kant van de biologie staan. Na aanstellingen aan de Universiteit van Hawaï en Johns Hopkins kwam zij in 1980 bij de afdeling History of Consciousness van de University of California, Santa Cruz, waar zij tot haar emeritaat bleef. Twee teksten uit de jaren tachtig maakten haar buiten de wetenschapsstudies bekend: het cyborgmanifest, dat de grenzen tussen mens en machine, natuur en cultuur, man en vrouw als politiek gemaakte grenzen behandelt, en het essay Situated Knowledges (1988), waarin zij tegenover zowel het idee van objectieve neutraliteit als het volledige relativisme de gesitueerde, belichaamde, gedeeltelijke blik plaatst. Later verschoof haar aandacht van machines naar dieren en van kritiek naar samenleven: honden, duiven, koralen, symbiose, verwantschap over soortgrenzen heen. Zij ontving onder meer de Robert K. Merton Award (1992), de Ludwik Fleck Prize (1999), de J.D. Bernal Prize (2000), de Wilbur Cross Medal (2017) en de Erasmusprijs (2025). Zij woont ten noorden van San Francisco met haar partner Rusten Hogness.

Vier werken

A Manifesto for Cyborgs — 1985

Een essay in Socialist Review, later herzien onder de titel A Cyborg Manifesto, en veruit haar bekendste tekst. De cyborg — half organisme, half machine — is er geen toekomstvisioen maar een figuur om mee te denken: wij zijn allang hybriden, en de grenzen tussen mens en dier, organisme en machine, fysiek en niet-fysiek houden geen stand. Haraway keert zich tegen de ecofeministische terugkeer naar een oorspronkelijke natuur en tegen elke politiek die op één gedeelde identiteit steunt; ze kiest voor affiniteit in plaats van verwantschap door afkomst. Het stuk werd meteen als feministische klassieker herkend en is sindsdien in tientallen talen herdrukt en op ontelbare leeslijsten beland.

Primate Visions — 1989

Een lijvige geschiedenis van de primatologie als verhalenmachine. Haraway laat zien hoe apenonderzoek van de jaren twintig tot de jaren tachtig — museumdiorama's, veldstations, populariserende tijdschriften, ruimtevaartexperimenten — telkens westerse voorstellingen over ras, sekse, gezin en oorsprong heeft verwerkt en teruggegeven als natuurfeit. Het boek is geen ontmaskering: zij bespreekt individuele onderzoekers, onder wie een generatie vrouwelijke primatologen, met veel aandacht voor wat hun werk daadwerkelijk heeft opgeleverd. Onder biologen viel het slecht, in de wetenschapsstudies werd het een standaardwerk; het leverde haar in 1992 de Robert K. Merton Award van de American Sociological Association op.

The Companion Species Manifesto — 2003

Een klein boek in dezelfde manifestvorm, en welbewust bedoeld als opvolger en correctie van het cyborgmanifest: niet de machine maar de hond staat nu centraal. Haraway schrijft over haar eigen australian shepherd, over agility-sport, over fokkerij, dierenwelzijn en de honderdduizenden jaren waarin mens en hond elkaar hebben gevormd. Uit die concrete geschiedenis destilleert zij het begrip significant otherness: samenleven met wezens die niet in ons opgaan en die wij niet mogen wegdenken tot symbool of spiegel. De tekst opende in de geesteswetenschappen het terrein van de animal studies en wordt daar nog steeds als beginpunt gelezen.

Staying with the Trouble — 2016

Haar meest gelezen late boek en een expliciete stellingname in het antropoceendebat. Haraway verwerpt zowel de technologische belofte dat er wel een oplossing komt als de apocalyptische zekerheid dat het te laat is; beide zijn manieren om weg te kijken. In plaats van Anthropocene stelt zij Chthuluceen voor, een tijdperk van vervlochten aardse wezens waarin het erop aankomt goed te leven en goed te sterven op een beschadigde planeet. Kernbegrippen zijn making kin, verwantschap buiten afstamming om, en sympoiesis, samen-maken. Het boek eindigt met de Camille-verhalen, een speculatieve fabel over vijf generaties. Het werd breed opgepikt in kunst, activisme en milieuhumaniora.

De volgende keer raadmodusDeze kaart niet meer tonen