Amsterdam, 4 november 1934 — Nederlands dichter, toneel- en scenarioschrijver
Judith Frieda Lina Herzberg is de dochter van de jurist en schrijver Abel Herzberg en van Thea Loeb. In 1943 werd het gezin geïnterneerd in het Barneveldse doorgangskamp; toen het op transport naar Westerbork moest, wisten Judith en haar oudere broer en zus onafhankelijk van elkaar te ontsnappen en onder te duiken, vooral in Groningen. Haar ouders overleefden Bergen-Belsen. Ze debuteerde in 1961 met gedichten in Vrij Nederland en publiceerde twee jaar later haar eerste bundel, Zeepost. Vanaf de vroege jaren zeventig kwam daar een tweede loopbaan bij: via het Instituut voor Onderzoek van het Nederlands Theater begon ze voor toneel te schrijven, later ook voor film en televisie. Haar poëzie en haar toneel delen dezelfde werkwijze — ze registreert het schijnbaar onbeduidende, een gebaar, een halve zin, een vlieg op het raam, en laat het grote daaronder onbenoemd. De oorlog is in haar werk vrijwel nooit onderwerp en vrijwel altijd achtergrond; het zwijgen erover, en wat dat zwijgen aanricht bij een volgende generatie, is het terrein waarop ze zich beweegt. Sinds 1983 woont ze afwisselend in Nederland en Israël, waarover ze twee bundels brieven en reisverslagen publiceerde; ze richtte tijdens de eerste Libanonoorlog de vereniging Vrienden van Vrede Nu op. Ze ontving de Jan Campertprijs, de Constantijn Huygensprijs (1994), de P.C. Hooftprijs (1997) en in 2018 de Prijs der Nederlandse Letteren.
De debuutbundel dankt zijn titel aan post die er lang over doet: brieven tussen mensen die niet bij elkaar zijn. Dat gemis, en de omweg die taal moet maken om het te overbruggen, blijft haar hele werk kenmerken. De achtendertig gedichten zijn kort, spreektalig en scherp waargenomen, met dieren, huiselijke voorwerpen en terloopse gesprekken als aanleiding. Wat opviel was de afwezigheid van pathos in een periode waarin de Vijftigers de toon zetten: Herzberg schreef alsof ze iets ondergeschikts vertelde, en juist daardoor kwam het binnen. De bundel vestigde meteen de stem die ze zou blijven.
Na negen jaar zonder bundel, waarin ze vooral toneel schreef, verscheen haar zesde bundel, genoemd naar een veenplassengebied ten westen van Abcoude. Het titelgedicht zet de toon: water dat 's nachts diep en bang is, een hol dat geen hol blijkt maar een leegte zonder rand. De gedichten zijn karger en donkerder dan het vroege werk, met de dood, het ouderschap en het onderduikverleden als ondergrond. Ook de vertaling van een gedicht van Stevie Smith kreeg er een plaats. Botshol werd in 1981 bekroond met de Jan Campertprijs.
Geschreven op verzoek van toneelgroep Baal voor het nieuwe Frascati, waar de scènes zich grotendeels op de balkons afspeelden. Op de bruiloft van Lea — haar derde — komen ouders, kinderen, ex-partners en de onderduikmoeder samen; in korte, luchtige, elkaar overlappende dialogen wordt zichtbaar hoe het oorlogsverleden doorwerkt in mensen die de oorlog zelf nauwelijks kenden. Het stuk gold als mijlpaal omdat de tweede generatie er voor het eerst zo onopgesmukt in sprak. Frans Weisz verfilmde het in 1989; Herzberg schreef het scenario. In 1988 ontving ze er de Charlotte Köhlerprijs voor.
Een van haar rijkste bundels, waarin het kijken zelf onderwerp wordt: wat iemand wil vastleggen, en wat zich daaraan onttrekt. De gedichten cirkelen om ouderdom, om lichamen die het laten afweten, om liefdes die eindigen zonder scène, en om de vraag hoeveel je van een ander werkelijk kunt weten. De toon is losser en gespreksachtiger dan ooit — hele gedichten bestaan uit wat iemand terloops zegt — maar de compositie is strak. De bundel verscheen in hetzelfde jaar als Brief aan wie hier niet is, haar verslag van het pendelen tussen Jeruzalem en Amsterdam.