Portret van Gerrit Komrij

Gerrit Komrij

Winterswijk, 30 maart 1944 — Amsterdam, 5 juli 2012 — dichter, essayist, criticus, bloemlezer

Gerrit Komrij groeide op in Winterswijk in een socialistisch gezin, deed daar eindexamen gymnasium en vertrok begin jaren zestig naar Amsterdam om literatuurwetenschap te studeren; de studie maakte hij niet af. Een verblijf op Kreta leverde zijn eerste gepubliceerde gedichten op, en in 1968 debuteerde hij met Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten — rijmend, in vaste vormen, op een moment dat de vrije versregel van de Vijftigers als vanzelfsprekend gold. Die tegendraadsheid bleef zijn handelsmerk. Vanaf de jaren zeventig schreef hij kritieken voor Vrij Nederland en NRC Handelsblad, en in 1976 een jaar lang televisierecensies waarmee hij in één klap landelijk bekend werd. Als essayist en polemist beschikte hij over een barokke, giftige stijl waarin de formulering minstens zoveel woog als het argument; hij maakte er evenveel vijanden als bewonderaars mee. Zijn bloemlezingen, te beginnen met de vuistdikke uit 1979, hebben het beeld van de Nederlandse poëzie blijvend verschoven: vergeten negentiende-eeuwers kwamen terug, gevestigde reputaties verdwenen uit zicht. In 1980 verscheen Verwoest Arcadië, het eerste van een reeks half-autobiografische prozaboeken. Vanaf 1984 woonde hij met zijn partner Charles Hofman in Portugal en schreef hij van daaruit door voor Nederlandse kranten. Hij ontving in 1993 de P.C. Hooft-prijs voor zijn beschouwend proza en in 1999 de Gouden Uil voor In Liefde Bloeyende; van 2000 tot 2004 was hij, door lezers gekozen, de eerste Dichter des Vaderlands. In 2011 kreeg hij een eredoctoraat in Leiden. Hij stierf een jaar later in Amsterdam, achtenzestig jaar oud.

Vier werken

Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten — 1968

Het debuut, en meteen een programma. De titel ontleent Komrij aan het zeventiende-eeuwse vacuümexperiment met twee halve bollen die niet uit elkaar te trekken zijn; de gedichten zelf zijn strak gerijmd, metrisch en vol grillige, macabere humor, met de negentiende-eeuwse rijmelaar De Schoolmeester als een van de peetvaders. Waar zijn generatiegenoten de vrije vorm als verworvenheid zagen, gebruikte Komrij het sonnet en de gepolijste strofe juist als koelkast voor onaangename inhoud. De bundel trok onmiddellijk aandacht. Twee jaar later leverde de opvolger Alle vlees is als gras, of Het knekelhuis op de dodenakker hem de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam op.

Horen, zien en zwijgen — 1977

In 1976 keek Komrij een jaar lang beroepsmatig televisie voor NRC Handelsblad — de krant liet er speciaal een toestel voor installeren — en deed daags erna verslag. De gebundelde columns leverden het woord 'treurbuis' op en een reeks vernietigende portretten van omroepgezichten. Het boek gaat maar half over programma's; Komrij gebruikte het medium vooral als aanleiding om te schrijven over de macht die de een over de ander uitoefent, en dwaalde af naar Kreta, poëzie en politiek. De rubriek maakte hem nationaal bekend en leverde de krant boze ingezonden brieven op, maar nauwelijks opzeggingen.

De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten — 1979

Uitgever Bert Bakker vroeg Komrij zijn opvattingen over poëzie op een rij te zetten; het resultaat was een alfabetisch geordende baksteen die de canon herschreef. Vergeten negentiende-eeuwers als Beets en Ten Kate kregen ruimte, terwijl de Vijftigers karig bedeeld werden en sommige dichters helemaal ontbraken. In januari 1980 spanden Remco Campert, Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek en Lucebert een kort geding aan tegen de uitgever, formeel omdat hun gedichten zonder toestemming waren opgenomen. De rel deed de verkoop geen kwaad: het boek werd meer dan tien keer herdrukt, kreeg de bijnaam bijbel van de Nederlandse poëzie en werd gevolgd door bloemlezingen over andere eeuwen, over Afrikaanse poëzie en over kinderpoëzie.

Verwoest Arcadië — 1980

Op initiatief van Rinus Ferdinandusse verscheen dit boek eerst, van 1977 tot 1979, als feuilleton in Vrij Nederland; in 1980 kwam het uit als nummer 59 in de reeks Privé-domein. Het heet een autobiografie, maar er is geen 'ik': de hoofdpersoon heet Jacob Witsen en wordt in de derde persoon beschreven door iemand die hem naar eigen zeggen heeft bedacht. Wat volgt is de geschiedenis van een provinciejongen met een hartstocht voor boeken en voor jongens, tot aan zijn Amsterdamse jaren. Recensenten prezen de lenigheid waarmee autobiografie, roman en essay in elkaar schuiven; anderen vonden dat Komrij zichzelf juist buiten schot hield.

De volgende keer raadmodusDeze kaart niet meer tonen