Keulen, 17 november 1587 — Amsterdam, 5 februari 1679 — dichter en toneelschrijver
Vondel werd geboren in Keulen, waar zijn doopsgezinde ouders naartoe waren uitgeweken nadat zij Antwerpen hadden moeten verlaten; ook in Keulen bleven zij verdacht, en het gezin belandde uiteindelijk in Amsterdam. Hij was geen geleerde van huis uit: hij dreef jarenlang een kousenwinkel en leerde pas als volwassene behoorlijk Latijn, in de jaren twintig aangemoedigd door de kring rond P.C. Hooft, Laurens Reael en Anthonis de Hubert, waar hij Vergilius, Seneca en Tasso leerde kennen. Vanaf dat moment werd hij de meest zichtbare en meest omstreden schrijver van de Republiek. Hij mengde zich onophoudelijk in de politieke en kerkelijke twisten van zijn tijd — de terechtstelling van Oldenbarnevelt bleef hij zijn leven lang als een justitiële moord behandelen — en betaalde daar met boetes en verboden voor. Rond 1640 ging hij, uit een protestants milieu afkomstig, over tot het katholicisme, wat hem in Amsterdam extra kwetsbaar maakte. Hij schreef zesentwintig eigen treurspelen en vertaalde er nog acht, naast een enorme hoeveelheid gelegenheidspoëzie, hekeldichten en vertalingen uit het Latijn. Zijn privéleven was zwaar: zijn vrouw stierf in 1635, kinderen gingen hem voor, en de schulden van zijn zoon dwongen hem op hoge leeftijd tot een baan bij de Amsterdamse Bank van Lening, waar hij onder werktijd mocht doorschrijven. Hij bleef productief tot in zijn tachtiger jaren en stierf op 91-jarige leeftijd; op de penning bij zijn begrafenis stond hij te boek als 's lands oudste en grootste poëet.
Onder de dunne vermomming van een Trojaanse fabel klaagt Vondel in Palamedes het proces tegen Johan van Oldenbarnevelt aan: de Griekse held wordt op grond van gefabriceerd bewijs voor hoogverraad ter dood gebracht. Voor tijdgenoten was de sleutel onmiddellijk duidelijk. Vondel publiceerde het stuk anoniem en pas na de dood van prins Maurits, maar zijn auteurschap lekte snel uit. Het boek werd verboden en uit de handel genomen; hij dook een tijd onder in Beverwijk en werd door de Amsterdamse schepenbank tot driehonderd gulden boete veroordeeld. Het verbod werkte als reclame: er volgden binnen enkele maanden verscheidene herdrukken.
Geschreven als openingsstuk voor de nieuwe Amsterdamse Schouwburg en opgedragen aan Hugo de Groot. Het stuk speelt in 1304 en verhaalt de belegering en val van Amsterdam, waarbij de vijand door een list in een schip de stad binnenkomt — een doorzichtige echo van het paard van Troje uit de Aeneis. Tegenover de ondergang staat een profetie van de toekomstige glorie van de stad. De predikanten protesteerden vanwege de katholieke elementen, waardoor de geplande première van 26 december 1637 werd uitgesteld tot 3 januari 1638. Daarna werd het stuk generatie na generatie rond nieuwjaar in Amsterdam gespeeld, een traditie die pas eind jaren zestig eindigde.
Het treurspel over de opstand van de engelen tegen God is Vondels beroemdste en talig meest uitbundige stuk: een aartsengel die uit hoogmoed én uit een soort staatkundige verontwaardiging in verzet komt tegen een gezag dat hij tot dan toe diende. De vraag naar de grenzen van gehoorzaamheid, die hem sinds Oldenbarnevelt bezighield, wordt hier naar de hemel verplaatst. Dat hielp niet: na twee voorstellingen, begin februari 1654, verbood het stadsbestuur op aandringen van de calvinistische kerkenraad verdere opvoering. Het stuk leverde Vondel roem en moeilijkheden tegelijk, en geldt bij velen als zijn hoofdwerk.
De oudtestamentische rechter Jefta zweert dat hij zal offeren wat hem bij thuiskomst het eerst tegemoet treedt, en dat blijkt zijn dochter. Vondel behandelt het gegeven als een studie in verkeerd begrepen vroomheid: een man die zich met een eed heeft vastgezet en die niet durft te herroepen, ook niet wanneer duidelijk is dat de eed zelf verwerpelijk is. Formeel is het zijn strengste stuk, geschreven met de regels van de klassieke tragedie nadrukkelijk in de hand. Vondel beschouwde het zelf als zijn beste drama, ook al vonden veel lezers het moeizaam.