Aalst, 15 maart 1912 — Erembodegem, 10 mei 1979 — Vlaams schrijver, journalist en schilder
Lodewijk Paul Aalbrecht Boon was het oudste kind van een huisschilder uit het Aalsterse arbeidersmilieu. Hij verliet de school op zijn zestiende om bij zijn vader te gaan werken, volgde 's avonds nog even les aan de academie en moest daar bij gebrek aan geld mee stoppen. Die afkomst heeft hij nooit verloochend: zijn hele oeuvre is doortrokken van sympathie voor de kleine man en van een socialisme dat gaandeweg verschoof van anarchistisch-communistisch naar individueel en sceptisch. In 1940 werd hij aan het Albertkanaal krijgsgevangen gemaakt; de oorlogsjaren leverden hem zowel zijn eerste lezerspubliek als zijn blijvende thema op — de idealen die het steeds afleggen tegen de werkelijkheid. Zijn debuutroman werd in 1942 bekroond met de Leo J. Krynprijs, mede op voorspraak van jurylid Willem Elsschot. Omdat zijn antiklerikalisme, zijn seksuele vrijmoedigheid en zijn linkse opvattingen in het toenmalige Vlaanderen slecht vielen en zijn boeken nauwelijks verkochten, week hij vanaf 1952 uit naar Nederlandse uitgevers. Van 1954 tot 1972 schreef hij daarnaast vrijwel dagelijks een cursiefje — de befaamde 'Boontjes' — voor het Gentse socialistische dagblad Vooruit, en hij bleef zijn leven lang ook schilderen, tekenen en houtsneden maken. De erkenning kwam laat: de Henriette Roland Holst-prijs (1957), de Constantijn Huygensprijs voor zijn oeuvre (1966) en de Multatuliprijs (1972). Zeker na de Engelse vertaling van De Kapellekensbaan in 1972 gold hij als serieus kandidaat voor de Nobelprijs. Hij stierf plotseling aan zijn schrijftafel, 67 jaar oud.
Een dertigtal fragmentarische kronieken over het leven in de voorstad van Aalst tijdens de bezetting, aanvankelijk als feuilleton verschenen in het weekblad Zondagspost. Boon inventariseert de kleine zonden — de laffe schikkingen, het wegkijken, het profiteren — van zijn medeburgers en van zichzelf, en sluit elk hoofdstukje af met een cursief aforisme. De eerste druk eindigde met een oproep om de mensen wakker te schoppen tot zij een geweten krijgen; in de tweede druk van 1960 verving Boon dat door de vraag wat het allemaal voor zin heeft. Die twee slotzinnen samen tekenen zijn wereldbeeld.
Het boek waar Boon al tijdens de oorlog aan begon en dat als zijn meesterwerk geldt. In de kern staat het opgroeien van Ondineke in het verpauperde Aalst rond 1900, maar dat verhaal wordt voortdurend onderbroken: door een bewerking van de Reinaertstof, door de commentaren van de schrijver Boontje en zijn kring op het boek dat zij aan het maken zijn, door krantenknipsels en uitweidingen. De roman als 'illegaal geschrift', waarin de afdwaling belangrijker is dan de bouw. Het verkocht aanvankelijk nauwelijks; pas in de jaren zestig werd het gelezen als de vernieuwing die het was.
De tegenpool van de vuistdikke romans: nauwelijks honderd bladzijden, streng van vorm. Drie vertellers — een man die in de vrieskelders van een brouwerij werkt, zijn vrouw en het jonge meisje dat bij hen in huis helpt — geven na elkaar hun versie van dezelfde driehoeksverhouding, zonder dat de lezer een van hen kan geloven. Boven aan elke bladzijde loopt een strook authentieke krantenberichten over moord en geweld mee, als een tweede, onafwendbare stem. Boon rekende het zelf tot zijn beste boeken; het is inmiddels in een reeks talen vertaald en geldt als de gangbaarste toegang tot zijn werk.
Voluit: Pieter Daens, of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht. Na jaren waarin vooral bundelingen van zijn cursiefjes verschenen, keerde Boon terug met een monumentale documentaire geschiedenis van zijn geboortestad, verteld door Pieter Daens, drukker en journalist en jongere broer van de priester Adolf Daens. Boon kon zich beter met de verteller dan met de priester vereenzelvigen. Het boek werd bekroond met de Multatuliprijs en met de driejaarlijkse Belgische staatsprijs voor proza, en werd in 1992 door Stijn Coninx verfilmd als Daens, met Jan Decleir; de film kreeg een Oscarnominatie.