Batavia, 30 april 1940 — Maastricht, 11 mei 2022 — Nederlands schrijver, essayist en polemist
Jeroen Godfried Marie Brouwers werd geboren in Batavia, in wat toen Nederlands-Indië heette. Na de Japanse inval belandde hij als kleuter met zijn moeder, zus en grootmoeder in de interneringskampen Kramat en Tjideng; zijn grootmoeder overleefde het niet. In 1948 kwam het gezin naar Nederland, waar hij tot zijn zeventiende in katholieke kostscholen verbleef — de twee ervaringen waaruit later zijn twee bekendste romans zouden voortkomen. Na zijn dienstplicht werkte hij in de journalistiek en van 1964 tot 1976 bij uitgeverij Manteau in Brussel, waar hij hoofdredacteur werd en waar hij na conflicten met Julien Weverbergh vertrok om alleen nog te schrijven. Zijn oeuvre telt zo'n vijfenzestig titels en loopt door alle genres heen: romans, essays, dagboeken, brieven en de beruchte polemieken waarmee hij decennialang literaire ruzies uitlokte en uitvocht. Alles is autobiografisch en tegelijk gefictionaliseerd — hij noemde zijn boeken zelf zijn biografie en zei er in één adem bij dat ze allemaal gelogen waren. Kenmerkend zijn de zware, barokke stijl, de spiegelingen en terugkerende motieven, het volgehouden pessimisme en de doodsobsessie. Hij kreeg de Constantijn Huygens-prijs (1993) voor zijn oeuvre en in 2007 de Prijs der Nederlandse Letteren, die hij vervolgens weigerde omdat hij het bijbehorende bedrag van 16.000 euro te schamel vond; het prijzengeld werd naderhand verhoogd. De P.C. Hooftprijs ontving hij nooit.
Een korte roman waarin de verteller, na het bericht van de dood van zijn moeder, terugkeert naar het kamp Tjideng en naar wat hij daar als jongetje zag gebeuren met haar. Het boek werd Brouwers' doorbraak bij een groot publiek en telt inmiddels meer dan vijftig drukken. Het leidde ook tot de felste polemiek van zijn loopbaan: Rudy Kousbroek bestreed het waarheidsgehalte van Brouwers' voorstelling van de Japanse kampen. Brouwers hield vol dat alles wat hij beschreef werkelijk was gebeurd — al niet noodzakelijk in zijn eigen kamp — en noemde de discussie uiteindelijk zinloos: hij had een roman geschreven, geen geschiedenisboek. In 1995 kreeg de Franse vertaling de Prix Fémina Étranger.
Het derde en veruit omvangrijkste deel van de zogenoemde Indië-trilogie, na Het verzonkene (1979) en Bezonken rood. Een schrijver blikt terug op zijn jeugd, zijn kostschooljaren en zijn Vlaamse periode, in een boek dat de motieven van de twee voorgangers opneemt en tot een compositie sluit. De roman geldt als het technische hoogtepunt van Brouwers' vroege werk: de spiegeleffecten, vooruitwijzingen en interne verbanden zijn hier het dichtst geweven, een procedé waarvoor hij openlijk naar Harry Mulisch verwees. Het boek werd in 1989 bekroond met de F. Bordewijk-prijs.
Na tien jaar waarin het erop leek dat hij als romancier klaar was, keerde Brouwers terug met een roman over huwelijksbedrog, jaloezie en vergelding. Jelmer van Hoff, afgekeurd leraar op een woonboot, ontmoet zijn jeugdliefde terug als de gevierde echtgenote van een oude studievriend; wat volgt is een briefwisseling en een drama waarvan aan het slot onduidelijk blijft of er wel iets is gebeurd. De kritiek was verdeeld — van vernietigend in Trouw tot een herrijzenis in de Volkskrant — maar de bekroningen waren eensgezind: in 2001 de Multatuliprijs, de AKO Literatuurprijs en zowel de jury- als de publieksprijs van de Gouden Uil.
De eerste Nederlandse roman over seksueel misbruik in de katholieke kerk, geschreven in de nasleep van de onthullingen daarover. In een door kloosterlingen geleid jongenspensionaat in de jaren vijftig ziet broeder Bonaventura toe hoe medebroeders leerlingen vernederen en misbruiken, en zwijgt. Brouwers koos daarmee niet het slachtofferperspectief maar dat van de meeloper, wat het boek zijn ongemakkelijke kracht geeft. De roman leverde hem een nieuwe generatie lezers op en werd bekroond met de ECI Literatuurprijs 2015; wegens zijn slechte gezondheid was hij bij de uitreiking niet aanwezig.