Portret van J. Slauerhoff, rokend in de duinen op Vlieland

J. Slauerhoff

Leeuwarden, 15 september 1898 — Hilversum, 5 oktober 1936 — dichter, prozaschrijver en scheepsarts

Jan Jacob Slauerhoff groeide op als vijfde van zes kinderen in een protestants middenstandsgezin in Leeuwarden. Hij was van jongs af ziekelijk — astma, later tuberculose — en die zwakte heeft zijn hele bestaan bepaald. Op de HBS in Leeuwarden leerde hij Simon Vestdijk kennen; in 1916 vertrokken beiden naar Amsterdam om medicijnen te studeren. Vanaf 1921 publiceerde Slauerhoff gedichten in het tijdschrift Het Getij, in 1923 verscheen zijn debuutbundel Archipel en eind dat jaar legde hij zijn artsexamen af. Omdat een behoorlijke aanstelling in Nederland uitbleef — hij had zich buiten de gesloten kringen van de geneeskunde gehouden en gold als lastig — monsterde hij aan als scheepsarts. Hij voer op Nederlands-Indië, daarna op China en Japan, later op Zuid-Amerika en West-Afrika; vrijwel zijn hele oeuvre komt uit die reizen voort. De zee, het verlangen naar elders, het onvermogen ergens te aarden en een blijvende fascinatie voor Macau, China en Portugal keren er onophoudelijk in terug. In 1930 trouwde hij met de danseres Darja Collin; hun zoon werd in 1932 dood geboren, in 1935 volgde de scheiding. Ook zijn pogingen zich ergens te vestigen hielden geen stand, tot en met een artsenpraktijk in Tanger in 1934. Zijn poëzie geldt als romantisch in een expressionistische tijd: autobiografisch, rusteloos, met een voorkeur voor zwervers, piraten en ontdekkingsreizigers. Zelfs bewonderaars noemden zijn taal slordig. Hij stierf op achtendertigjarige leeftijd in een rusthuis in Hilversum, uitgeput door tuberculose en een malaria-infectie die hij op zijn laatste reis, naar Zuid-Afrika, had opgelopen.

Vier werken

Archipel — 1923

Slauerhoffs debuut bundelt de gedichten die hij vanaf 1921 in Het Getij had gepubliceerd. Het boek verscheen bij Van Kampen in Amsterdam, al beweerde de dichter later dat het via zijn vriend Arthur Lehning voor eigen rekening in Berlijn was gedrukt. De titel kondigt het motief aan dat zijn hele werk zou dragen: de zee, en de eilanden daarachter. De verzen zijn onstuimig en sterk beeldend, maar technisch onaf — daarmee bevat de bundel in de kiem al zowat alle latere kritiek op zijn werk. Tijdgenoten als Hendrik Marsman en Herman van den Bergh herkenden er niettemin meteen een eigen stem in, en Archipel maakte Slauerhoff in één klap tot een naam binnen de jonge Nederlandse poëzie.

Schuim en asch — 1930

Vijf verhalen, grotendeels geschreven aan boord en in ziekenhuizen: De erfgenaam, Het eind van het lied, De laatste reis van de Nyborg, Larrios en Such is life in China. Ze spelen in havensteden, op zee en in de Europese kolonies in Azië, en gaan vrijwel allemaal over mannen die iets najagen dat niet te bereiken valt: een erfenis, een vrouw, een verlossing. De laatste reis van de Nyborg is een macabere scheepsgeschiedenis, Larrios — door veel lezers als het hoogtepunt gezien — de opeenvolging van vier ontmoetingen tussen een zwervende zeeman en de vrouw aan wie zijn leven hangt. Het is Slauerhoffs eerste grote prozaboek, en het bepaalde het beeld van hem als de Nederlandse verwant van Conrad.

Het verboden rijk — 1932

Slauerhoffs eerste roman verscheen eerst in afleveringen in het pas opgerichte tijdschrift Forum en eind 1932 als boek. Twee levens lopen erin door elkaar: dat van de zestiende-eeuwse Portugese dichter Luís de Camões, verbannen naar het Verre Oosten, en dat van een naamloze Ierse marconist in de twintigste eeuw, die gaandeweg door Camões bezeten raakt. Beide verhalen komen samen in Macau, de kolonie die in de proloog uit wraak wordt gesticht. De vertelling springt tussen eeuwen en bewustzijnen zonder dat overgangen worden verklaard. De roman werd pas in 2012 in het Engels vertaald, maar geldt in de neerlandistiek — sinds onder meer Jane Fenoulhets studie uit 2001 — als een modernistische roman van internationaal formaat, en als het beste dat Slauerhoff in proza heeft geschreven.

Soleares — 1933

De bundel is genoemd naar de soleá, de klaagvorm uit de flamenco, en verzamelt gedichten over Spanje, Portugal en Zuid-Amerika, waaronder vertalingen en bewerkingen van fado-poëzie. De toon is opvallend berustender dan in het eerdere werk: het verlangen is er nog, maar het verzet ertegen is grotendeels verdwenen. Soleares kreeg in 1934 de C.W. van der Hoogt-prijs. Het juryadvies is kenmerkend voor de manier waarop Slauerhoff werd ontvangen: de commissie erkende de onmiskenbaar eigen stem, maar schreef er in één adem bij lang geaarzeld te hebben omdat zijn uitdrukkingswijze bij uitstek onverzorgd was.

De volgende keer raadmodusDeze kaart niet meer tonen