Wertach im Allgäu, 18 mei 1944 — Norfolk, 14 december 2001 — Duits schrijver en literatuurwetenschapper
Winfried Georg Sebald — hij liet zich Max noemen — groeide op in het Beierse Allgäu, als zoon van een vader die in de Wehrmacht had gediend en daar zijn leven lang over zweeg. Die stilte werd zijn onderwerp. Na een studie germanistiek in Freiburg en het Zwitserse Fribourg vertrok hij in 1966 naar Engeland; vanaf 1970 doceerde hij aan de University of East Anglia in Norwich, waar hij in 1987 hoogleraar Europese literatuur werd en in 1989 het British Centre for Literary Translation oprichtte. Hij bleef zijn hele schrijversleven in Duitsland publiceren en in het Duits schrijven, maar keerde er nooit terug om te wonen. Pas na zijn veertigste begon hij aan het proza waarmee hij bekend werd: boeken die zich niet laten indelen bij roman, reisverslag, essay of biografie, geschreven in lange, ouderwets aandoende volzinnen en doorschoten met korrelige zwart-witfoto's zonder onderschrift. Ze gaan over ballingschap, verwoesting, natuurgeschiedenis en het geheugen dat zich niet laat commanderen; het verzwegen Duitse verleden is er altijd in aanwezig, zelden rechtstreeks benoemd. Zijn methode was documentair van vorm en fictief van inslag — hij bouwde levensverhalen uit gevonden lotgevallen, brieven en prentbriefkaarten, meestal zonder toestemming, en liet in het midden wat verzonnen was. Hij ontving onder meer de Berliner Literaturpreis (1994), de Heinrich-Böll-Preis (1997) en de Joseph-Breitbach-Preis (2000). In december 2001, kort na verschijnen van Austerlitz, kwam hij op zevenenvijftigjarige leeftijd om bij een auto-ongeluk in Norfolk, op het hoogtepunt van zijn internationale reputatie.
Vier lange verhalen over vier mannen die Duitsland hebben verlaten — een dorpsonderwijzer, een oudoom die butler werd in New York, een huisarts in Engeland, een schilder in Manchester — en die decennia later alsnog aan hun verleden bezwijken. De verteller reconstrueert hun levens uit gesprekken, dagboeken en fotoalbums, en reist hun sporen na. Drie van de vier zijn geheel of gedeeltelijk Joods; de Holocaust wordt bijna nooit genoemd en is overal voelbaar. Het boek verscheen in Hans Magnus Enzensbergers reeks Die Andere Bibliothek en maakte Sebald in één klap bekend. Nederlandse vertaling: De emigrés.
Ondertiteld Eine englische Wallfahrt: het verslag van een voettocht door het dunbevolkte Suffolk in augustus, ondernomen om aan een innerlijke leegte te ontkomen. Wat een wandelboek lijkt, dwaalt onophoudelijk af — naar de zijdehandel, de Congo van Roger Casement, het leven van Joseph Conrad, de haringvisserij, de schedel van Thomas Browne — tot er een aaneengeschakelde geschiedenis van verval en vernietiging ontstaat, waarin natuur en cultuur even vergankelijk blijken. Het boek maakte Sebald tot cultauteur in Engeland en de Verenigde Staten en wordt vaak zijn eigenzinnigste genoemd. Nederlands: De ringen van Saturnus. Een Engelse pelgrimage.
Uitgewerkte boekversie van drie poëticalezingen die Sebald in het najaar van 1997 in Zürich hield. Zijn stelling: het geallieerde bombardement op de Duitse steden, dat honderdduizenden burgers het leven kostte, is in de naoorlogse Duitse literatuur vrijwel onbeschreven gebleven — een collectieve verdringing waaraan ook gerenommeerde auteurs meededen. De uitgave bevat daarnaast een vernietigend essay over Alfred Andersch. Het boek lokte een felle en langdurige polemiek uit, ook van schrijvers die vonden dat Sebald hun werk verkeerd had gelezen. Nederlands: De natuurlijke historie van de verwoesting.
Sebalds enige boek dat hijzelf een roman noemde. In een reeks toevallige ontmoetingen, verspreid over dertig jaar en over stations en wachtkamers in heel Europa, vertelt de architectuurhistoricus Jacques Austerlitz zijn levensgeschiedenis aan een naamloze verteller. Als kleuter kwam hij in 1939 met een kindertransport in Engeland aan en groeide op bij een Welshe dominee, zonder zijn naam of afkomst te kennen; pas op late leeftijd reconstrueert hij wat er in Praag en Theresienstadt met zijn ouders gebeurde. Het boek kreeg de National Book Critics Circle Award (2001) en, postuum, de Independent Foreign Fiction Prize en de Literaturpreis der Stadt Bremen (beide 2002).