Hilversum, 1970 — klankkunstenaar, componist, onderzoeker
Van der Heide behandelt ruimte niet als de plek waar muziek klinkt, maar als het materiaal waarmee gecomponeerd wordt. Hij studeerde muziektechnologie in Utrecht en sonologie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, en begon zijn loopbaan als uitvoerend elektronisch musicus: samen met Zbigniew Karkowski en Atau Tanaka vormde hij Sensorband, een trio dat met sensoren bespeelde instrumenten harde, fysiek voelbare geluidsstukken maakte. Vanaf eind jaren negentig verschoof zijn werk van het podium naar installaties waarin het publiek middenin staat en de opstelling zelf verkent. Kenmerkend is dat hij telkens één elementair natuurkundig principe kiest en dat tot het uiterste doorvoert: licht als drager van geluid, radiogolven die zich als akoestische golven gedragen, perslucht in plaats van luidsprekermembranen, elektrische vonken als tegelijk licht- en klankbron. De techniek ontwikkelt hij grotendeels zelf, vaak in samenwerking met V2_ in Rotterdam. Hij werkte herhaaldelijk met architecten — Lars Spuybroek, Kas Oosterhuis — en met beeldend kunstenaar Marnix de Nijs. Naast zijn eigen studio doceert hij aan de Universiteit Leiden en leidt hij het Spatial Interaction Lab van de ArtScience Interfaculteit in Den Haag. Hij was gasthoogleraar in Berlijn en Le Fresnoy, kreeg in 2009 de Witteveen+Bos-prijs voor Kunst+Techniek voor zijn hele oeuvre en was in 2015 stadsklankkunstenaar van Bonn. Hij woont en werkt in Rotterdam.
Een luidspreker op een meterslange, door een motor aangedreven arm met contragewicht, die tot honderd kilometer per uur kan ronddraaien. Een snelle afstandssensor naast de luidspreker tast de ruimte af en bouwt een voortdurend veranderende kaart op van wanden en bezoekers, als een radar. De machine speurt, versnelt, remt af, richt korte harde pulsen op wie te dichtbij komt en luistert naar de nagalm. Wie het lokt, wordt teruggejaagd. Het werk maakt het onbehagen tastbaar van de vraag wie hier wie bestuurt. Het kreeg de eerste prijs op de Art Future-competitie in Taipei (2000) en eervolle vermeldingen op Ars Electronica en Transmediale (2001) en bij Vida 5.0 (2002).
Vijftien zelfgebouwde zenders, verspreid over een stadsdeel, zenden elk één laag van een metacompositie uit; het publiek krijgt een zelf ontworpen ontvanger mee en loopt ermee de straat op. Doordat Van der Heide een afwijkend modulatieprincipe gebruikt, kan die ontvanger meerdere zenders op dezelfde frequentie tegelijk ontvangen, en is het volume van elke laag rechtstreeks gekoppeld aan de veldsterkte: dichterbij is luider. Twee antennes maken de ontvanger bovendien richtinggevoelig, zodat draaien met het apparaat het stereobeeld verschuift. De golflengte van ongeveer 175 meter is zo gekozen dat gebouwen de golven niet weerkaatsen maar geleiden. Lopen wordt zo componeren; de stad krijgt een tweede, onzichtbare topografie.
Boven het publiek hangt een horizontaal vlak van tweeënveertig pneumatische kleppen die perslucht in stoten de open lucht in laten. Elke klep kent maar twee standen, open of dicht, en is dus een 1-bit geluidsbron; samen vormen ze een compositie van tweeënveertig kanalen. Door de pulsen met verschillende snelheden en onderlinge vertragingen over het vlak te verdelen, ontstaat een doorlopende overgang tussen ruimtelijk ritme, de plaatsbepaling van geluid, beweging en — zodra de herhalingsfrequentie boven de zestien hertz komt — toonhoogte. Omdat de druk hoger is dan die van de omringende lucht, hoor je niet alleen klank maar voel je ook wind. Het werk ontstond tijdens een residentie bij Tesla in Berlijn en ging in première op sonambiente 2006.
Tachtig identieke vonkbruggen, regelmatig verdeeld in een monumentaal raster boven de bezoekers. Elke vonk is tegelijk de kortst denkbare klankimpuls en een stroboscopische lichtbron, zodat beeld en geluid uit precies dezelfde gebeurtenis voortkomen. De vonken zijn onderling verbonden en beïnvloeden elkaar; uit die koppelingen ontstaat een gedrag dat meer is dan de som van de afzonderlijke elementen — Van der Heide noemt het een cosmos met eigen regels. Het beeld verwijst naar de elektrische impulsen waarmee zenuwcellen informatie doorgeven. Het oog kan maar op één plek scherpstellen, het oor neemt de hele ruimte tegelijk waar; juist dat verschil maakt het werk hoorbaar als geheel en zichtbaar als detail. Coproductie met V2_Lab.