Volos, 10 juli 1888 — Rome, 20 november 1978 — schilder, beeldhouwer, schrijver
Giorgio de Chirico werd geboren in het Griekse Volos, waar zijn Italiaanse vader als spoorwegingenieur aan een bergspoorlijn werkte; locomotieven en rails zouden zijn hele oeuvre blijven doorkruisen. Hij kreeg tekenles in Athene en studeerde aan het Polytechnion, en na de dood van zijn vader verhuisde het gezin in 1906 naar München, waar hij aan de kunstacademie terechtkwam en zich vastbeet in Böcklin, Klinger, Nietzsche en Schopenhauer. In 1909 keerde hij terug naar Italië. Begin 1910 schilderde hij in Florence, na wat hij zelf een openbaring op de Piazza Santa Croce noemde, het eerste van zijn 'metafysische stadspleinen': lege ruimtes met scherpe schaduwen en een licht dat nergens vandaan lijkt te komen. Tussen 1911 en 1915 woonde hij in Parijs, waar Apollinaire en Picasso zijn werk opmerkten en hij een contract sloot met handelaar Paul Guillaume. Bij het uitbreken van de oorlog werd hij in Ferrara bij een militair hospitaal geplaatst; daar ontmoette hij Carlo Carrà, met wie hij de pittura metafisica op de kaart zette. Vanaf 1919 bepleitte hij juist een terugkeer naar het ambacht en de oude meesters, en werd hij een luidruchtig tegenstander van de moderne kunst. De surrealisten, die zijn vroege werk aanbaden en zijn late werk verachtten, raakte hij snel kwijt. Dat zijn eigen tijd zijn schilderijen van vóór 1919 bleef verkiezen boven alles wat daarna kwam, heeft hem levenslang gestoken: hij maakte terugdateerde replica's van zijn eigen jeugdwerk en verklaarde tegelijk echte werken tot vervalsing. Hij stierf in 1978 in Rome.
Het kleine doek dat geldt als het eerste metafysische schilderij: een verlaten plein, een tempelgevel, lange en onlogische schaduwen die door onzichtbare objecten worden geworpen, alles gehouden in een broeierig groenige toon. De aanleiding was volgens De Chirico zelf een gewaarwording op de Piazza Santa Croce in Florence, kort na een ziekte, waarbij een vertrouwd plein hem plotseling volstrekt vreemd voorkwam. Het werk breekt met alles wat hij in München had geleerd: geen verhaal, geen allegorie, alleen een ruimte die niet klopt. Alle motieven van de tien jaar erna — arcade, standbeeld, verstilde middag, verkeerd vallend licht — liggen hier al klaar. Het bevindt zich in particulier bezit.
In Parijs, in de zomer van 1914, spijkerde De Chirico een gipsen kop naar de Apollo van Belvedère en een rubberen chirurgenhandschoen naast elkaar op een schutting; eronder ligt een groene bal, erachter loopt een muur waarachter een locomotief rookt. Apollinaire noteerde de aankoop van de handschoen en voorzag dat het ding in een schilderij zou belanden. De onmogelijke ontmoeting tussen een klassiek fragment en een medisch gebruiksvoorwerp werd het model voor een halve eeuw surrealisme: Magritte noemde het zien van een reproductie ervan een van de aangrijpendste momenten van zijn leven. Het schilderij kwam via de nalatenschap van Nelson Rockefeller in het Museum of Modern Art in New York terecht.
Twee arcadegebouwen flankeren een straat die de diepte in schiet: links staat de gevel in fel licht, rechts is alles schaduw. Een meisje met een hoepel rent naar het licht toe, terwijl uit de rechterzijde de schaduw van een standbeeld valt dat zelf buiten beeld blijft. In de schaduw staat een open, leeg wagentje. De Chirico bediende zich hier van twee onderling strijdige vluchtpunten, waardoor de twee helften van het plein elkaar nooit kunnen bereiken en het meisje het beeld nooit zal halen; volgens James Thrall Soby is de geometrie welbewust vervormd omwille van de poëtische suggestie. Hij keerde er later meermalen naar terug, onder meer in een replica die hij naar 1948 terugdateerde.
Op een houten vlonder staan poppen met eivormige, gezichtloze koppen, gedrapeerd als antieke muzen; achter hen rijst het Castello Estense van Ferrara op, met daarnaast fabrieksschoorstenen. De vlonder helt zo steil dat de figuren eerder lijken te staan op een toneel dan op een plein. De datering is omstreden — 1916, 1917 en 1918 worden alle genoemd — en er bestaan meerdere versies, waarvan de vroegste in een Milanese privécollectie hangt en een andere in de Pinakothek der Moderne in München. Het schilderij groeide uit tot het bekendste beeld van de metafysische periode; Sylvia Plath schreef er een gedicht naar en Andy Warhol maakte er zeefdrukken van.