Surrey, 1987 — musicus, tekstschrijver, fotograaf; als Annika Henderson
Anika is het artiestennaam van Annika Henderson, geboren in 1987 in het Engelse graafschap Surrey en tweetalig opgegroeid in het Engels en het Duits. Voordat ze zelf muziek maakte werkte ze als concertorganisator in Cardiff en als politiek journalist in Berlijn, de stad waar ze sindsdien woont. Die achtergrond is in haar werk gebleven: haar teksten zijn eerder een aanklacht of een observatie dan een lied, vaak half gesproken, in een laag en opvallend afstandelijk register dat critici steevast met Nico vergelijkt. Haar naam koos ze door één letter uit haar eigen naam te schrappen, als manier om afstand te houden tot de persoon erachter. Haar loopbaan begon bij toeval: een auditie bij Geoff Barrow van Portishead, die een zangeres zocht voor zijn groep Beak>, leidde binnen enkele dagen tot een compleet album. Daarna werkte ze even hard aan het ontwijken van de verwachtingen die dat opriep — een lange pauze, een band in Mexico-Stad, samenwerkingen met Tricky, Shackleton, Gudrun Gut, Michael Rother, Clark en Dave Clarke. Ze noemt zichzelf liever een hybride kunstenaar dan een zangeres: ze fotografeert, schrijft poëzie, draait als dj, maakt video's en installaties. Haar muziek combineert dub, post-punk en psychedelica met flarden drum-'n-bass, en heeft een uitgesproken voorkeur voor het onaffe: liveopnames, weinig overdubs, hoorbare fouten. Ze treedt vaak solo op, met apparatuur die ze zelf bedient. Sinds 2016 verschijnt haar werk grotendeels bij het Amerikaanse label Sacred Bones.
Het debuutalbum ontstond in twaalf dagen met Beak> als begeleidingsband, opgenomen zonder overdubs en geproduceerd door Geoff Barrow. Het bestaat grotendeels uit covers — Yoko Ono, Bob Dylan, Twinkle — met enkele eigen nummers ertussen, waaronder de moordballade 'Officer Officer'. Het bekendste is haar versie van 'I Go To Sleep' van The Kinks, die het origineel uitkleedt tot een dreigende, holle puls. Het album verscheen eind 2010 bij Invada in Europa en kort daarna bij Stones Throw in de Verenigde Staten, kreeg goede kritieken en bezorgde haar meteen een cultstatus die groter bleek dan de bescheiden verkoopcijfers.
Tijdens een korte tournee door Mexico in 2014 speelde Anika met drie lokale muzikanten, onder wie producer Martin Thulin en Hugo Quezada. De chemie was zo direct dat de groep haar debuutalbum in eerste takes op een oude achtsporenrecorder vastlegde, zonder repetities vooraf. Het resultaat is losser en donkerder dan haar solowerk: dubechoos, spaghettiwestern-gitaren, industriële uitschieters en nummers als 'No More Parties in the Attic' en 'Orlando'. Het album verscheen bij Sacred Bones en werd door critici gezien als het moment waarop Anika van interpreet van andermans repertoire tot volwaardig auteur uitgroeide. Een tweede album, Obey, volgde in 2018.
Elf jaar na haar debuut verscheen haar eerste soloalbum met uitsluitend eigen materiaal, negen nummers waarin frustratie en een voorzichtig soort hoop tegen elkaar in werken. De klank is zachter dan verwacht: pulserende synthesizers, sluipende baslijnen, elektronische pop die eerder mediteert dan aanvalt, met teksten over vastgelopen politiek en de vraag of verandering nog van onderaf kan komen. Het album kreeg overwegend lovende recensies — Metacritic kwam uit op een gemiddelde van 79 — en bracht haar terug in de aandacht na jaren waarin ze vooral als samenwerkingspartner van anderen te horen was.
Haar derde soloalbum is een bewuste breuk met de ingehouden toon van Change: zwaarder, luider, met grunge en punk als openlijke referenties — ze noemde Hole, The Breeders en X-Ray Spex als inspiratie. Het werd live op tape opgenomen in de Hansa Studios in Berlijn, met vrijwel geen overdubs, wat de tien nummers een rauwe, gehaaste urgentie geeft. Het album is bedoeld als ruimte om af te reageren op een wereld die uit het lood staat; haar eigen samenvatting is dat mensen elkaar juist nu fysiek moeten opzoeken. Het verscheen bij Sacred Bones.